Dag 3: moeilijke woorden

Doel

Moeilijke woorden zo duidelijk en vloeiend mogelijk lezen

Introductie

‘Bij het theaterlezen moet het publiek je goed kunnen verstaan. Je moet de woorden duidelijk uitspreken. Ook de moeilijke woorden! Vandaag oefenen we daarom extra met de moeilijke woorden. Lees nogmaals je eigen rol en onderstreep de moeilijke woorden.’

Instructietoneellezen

Vraag de moeilijke woorden en schrijf die per rol onder elkaar op het bord. Of projecteer de bijlage met moeilijke woorden op het Digibord.
Laat per karakter de moeilijke woorden oplezen (dus wie Enzo oefent, leest de woorden van Enzo hardop).
Bespreek woorden als volgt: ‘Wie weet wat dit woord betekent? Lijkt het misschien op een woord dat je al kent? Herken je er een woord in? Hoe spreek je het woord uit?’
Lees de woorden voor in stukjes zoals ze klinken [fan-tas-tie-se]. Daag de kinderen uit om de woorden ook zo te lezen en hierbij zo duidelijk mogelijk te articuleren. Geef wat leesbeurten.
Lees tot slot de woorden nogmaals samen. Probeer alle woorden steeds iets sneller te lezen, maar blijf wel duidelijk verstaanbaar spreken.

Inoefening

‘We oefenen nu het verhaal in groepjes van vier. Ieder leest eerst zijn eigen rol nog eens stil door. Daarna lezen jullie het om de beurt hardop. Let erop dat jullie alle woorden duidelijk uitspreken.’

Afronding

‘Ik merk dat veel van jullie al heel duidelijk de tekst kunnen lezen. Wie vindt dat ook?’ Vraag ook of er nog kinderen zijn die extra met de moeilijke woorden willen oefenen en geef hiervoor gelegenheid.

Tip bij het lezen: Als je duidelijk wilt spreken, moet je je mond goed open doen. Overdrijf de bewegingen met je mond.

Tip bij het lezen: Als je een moeilijk woord met nadruk wilt lezen, lees het dan expres in stukjes. Het woord klinkt extra belangrijk!