Dag 1: introductie

Doel

Interesse wekken voor het verhaal en inleven in de karakters.

Introductie

Toon de tekening en de titel van het verhaal op het Digibord. Schrijf de namen van de karakters eronder. Zeg het volgende:
‘Deze week gaan we theaterlezen. Dat is lezen alsof je in het theater staat. Wie heeft een idee hoe je dan moet lezen? Zal ik het eens voordoen? Ik laat het horen met dit verhaal.’ Wijs naar het Digibord. Lees de titel.

Instructie

teksten voor theaterlezen

Lees vol overgave het begin van de tekst voor. Wijs steeds de naam aan van het karakter dat je leest. Lees totdat alle karakters een keer aan bod zijn geweest. Vraag daarna:
‘Wat vinden jullie van het verhaal? Wie vond het grappig, of spannend?
Hoe heb ik het voorgelezen?
Wat voor persoon is ….?
Hoe hoorde je dat?
Ja zij praat heel blij/boos/deftig.’
Maak zo samen met de kinderen bij elk karakter een woordweb.

Inoefening

Verdeel de klas in groepen; één groep per karakter. Vraag wie voorkeur heeft voor welk karakter. Probeer vier groepen van gelijke grootte te maken.

Laat per karakter een groep hardop lezen (tegelijk of in beurten).
Daag het groepje uit; dat kan bozer, of deftiger.
Herhaal zo de tekst die je net hebt voorgelezen. Stop als elke groep een beurt heeft gehad.

Afronding

‘De komende week oefenen we de hele tekst. Aan het einde van de week geven we een voorstelling in de klas.’